19 en kanker - De chocomelman

‘Of je wat wil drinken?’

‘Oh, uh, ja, thee is goed.’ Ik lig met mijn hoofd op een van de witte, ronde tafeltjes die in een cirkel, staan opgesteld. Ze staand rond een grote, plastic fontein. Mijn armen gebruik ik als kussen, ik leg mijn hoofd er uitgeput op. Het ligt niet heel comfortabel. Er zit een bult op mijn arm die in mn hoofd  prikt. Een bultje waarover de huisarts drie maanden geleden zei dat ik het ‘maar even aan moest zien’.  En nu lig ik hier. Met een overkolkend hoofd in mijn armen, wachtend op thee uit een papieren bekertje, in het UMCG. Ik lig zo, dat ik de overkant van de fontein met een schuin hoofd kan zien. De wereld is negentig graden gekanteld.

 

Er zit een man tegenover me, aan de andere kant de fontein. Hij lijkt me zo’n dertig jaar en ik vraag me af wat hij hier doet. Hij kan van alles zijn: bezoeker van een nichtje dat gevallen was uit het klimrek, longchirurg met middagpauze, baliemedewerker op de poli gynaecologie, hoewel ik hem dan waarschijnlijk wel had herkend. Hij drinkt chocomel met een rietje, schattig vind ik dat.

Ik kruip uit het hoofd van de overbuurman, terug in mijn eigen hoofd. Het is er druk. En stil tegelijk. Mijn hoofd zoals ik dat kende, staat stil. Er wordt plaats gemaakt voor iets groots, zwarts wat enorm veel weegt. Mijn hoofd was altijd een plek van wilde plannen. Backpacken in Australië, studeren in Groningen, roadtrippen naar de zee, een gedichtenbundel schrijven. Het was een plek van dromen en  vooruitdenken, muziek maken en rondspringen, een plek van dansen en van zingen.

Nu lig ik daar met mijn hoofd, schuin, op het ziekenhuistafeltje en voel hoe mijn oude hoofd uitdijt en plaatsmaakt voor een nieuw hoofd. Een hoofd vol met angst, chaos en onbegrip. Ik ken dit hoofd niet, en ik wil het ook niet zijn. Mijn nieuwe hoofd voelt als een groot leeg weiland in de mist. Ik zie er geen hand voor ogen en ik gris in het niks. Het is er leeg, raar en eng. Ik snap niet dat ik dit ben.

De mist klaart op als ik mijn moeders bekende stem hoor. ‘Hier, en ik heb ook een stroopwafel voor je gehaald.’

‘Dank je’. Ze zet de thee en de stroopwafel voor me neer. Maar ik voel totaal geen neiging om mijn zware hoofd uit mijn armen op te tillen. Dan neemt mijn misthoofd me onwillig mee terug naar een uur geleden. Ik zat aan een tafel in een praatkamertje aan de andere kant van het ziekenhuis. Ik constateerde dat de arts-in-opleiding die voor me zat echt wel heel erg knap was, en zeker niet meer dan vijf jaar ouder dan ik. Ik moet echt in Groningen gaan studeren, het zit hier vol met knappe jongens. Hij mocht wel wat liever kijken, zijn ogen stonden wel heel serieus.

De knappe arts begon te praten. Ik kon hem goed volgen, want hij praatte duidelijk. Totdat hij op een gegeven moment wel heel erg ver weg klonk. Was hij zachter gaan praten? Ik verstond er niks meer van. Ik zag alleen nog donkere vlekken en wazige beelden. Ik voelde mijn lichaam niet meer en ineens huilde ik.

Ik doe mijn ogen weer open en staar met betraand gezicht naar de chocomelman, hoofd in mijn armen, op het ziekenhuistafeltje. Dit keer kijkt hij terug. Hij zet zijn chocomel neer op zijn ziekenhuistafeltje, en beweegt zijn hand in de richting van zijn hart. Hij legt zijn hand op zijn hart, kijkt me aan, kantelt zijn hoofd en trekt een meelevende pruillip. Even trekt de mist op, de chocomelman neemt de pijn een beetje van me over.

Steun ons werk

  • Ouders, kinderen, jongeren en
    survivors blijven steunen
  • Werken aan betere zorg en nazorg
  • Kinderen steunen met de Kanjerketting

 

Ontvang als eerste handige tips en informatie

  • Op de hoogte van acties
  • Ontvang het laatste nieuws