‘Mijn zoontje leert mij opnieuw kijken naar wat ik wél kan’
Cherine is 38 jaar, heeft op haar tiende botkanker gehad en hield daar een beperking aan over aan haar been. Ze werkt als ervaringsdeskundige voor de Vereniging Kinderkanker Nederland en als coördinator diversiteit en inclusie in het Prinses Máxima Centrum. Een kinderwens was nooit vanzelfsprekend. Nu ze moeder is, vraagt ze zich regelmatig af wat een 'goede' moeder eigenlijk is. Haar leven met de late gevolgen van kinderkanker speelt daarin een belangrijke rol. Kan ze haar kind bieden wat het nodig heeft? En is er ruimte voor een tweede kind?
Een sterke kinderwens heeft Cherine nooit echt gehad. Het verlangen om moeder te worden ontstond vooral door haar partner. ‘Voor haar was de wens om moeder te worden heel duidelijk. Ik heb haar voorrang gegeven vanwege haar leeftijd. Ik gunde het haar. Ik wist ook dat tijd een rol speelde. Als ik nog een paar jaar zou blijven twijfelen, zou het misschien niet meer kunnen, ook omdat we afhankelijk waren van een in ons geval bekende donor.’
De beslissing om samen een kind te krijgen kwam daardoor sneller dan ze zelf misschien gewild had. Waar haar partner makkelijker rationeel en onbevangen een besluit neemt en wel ziet hoe het vervolgens uitpakt, heeft Cherine meer tijd nodig. ‘Dat is ook iets wat ik van het ziek zijn op jonge leeftijd heb meegenomen, dat ik altijd heel goed wil inschatten wat een keuze kan betekenen om vervolgens niet alleen rationeel maar ook gevoelsmatig een stap vooruit te zetten.’
Nodig
Ook vroeg ze zich af of ze een toekomstig kind genoeg te bieden had. ‘Mijn partner had gevoelsmatig meer op orde, zoals een eigen huis. Daarnaast kost het mij vanwege late gevolgen, in vergelijking met leeftijdgenoten, doorgaans meer energie om meerdere ballen in de lucht te houden. Denk aan werk, sport en sociale activiteiten. Ik vroeg me dan ook af met de komst van een kind: kan ik dit wel en hoe kan ik bij het samen opvoeden van een kind op een waardevolle manier bijdragen?’ Tijdens de zwangerschap veranderde dat. ‘Ik zag mijn partner zachter en kwetsbaarder worden. Ik zag beter wat ik kan bijdragen en voelde me meer onderdeel van ons als team. Ik voelde me nodig. Hierdoor kon ik steeds meer meegaan in het idee dat we samen een kind zouden krijgen.’
‘Mama kan niet rennen’
De gevolgen van kinderkanker maakt het moederschap soms minder vanzelfsprekend. Door haar beperking kan Cherine niet altijd op dezelfde manier als haar partner activiteiten doen met haar zoontje. ‘Als hij op zijn fietsje zit, kan ik niet zomaar achter hem aan rennen. Of als hij ergens in wil klimmen ben ik er altijd alert op of ik hem eigenlijk zelf wel eruit kan helpen als dat nodig is. Ik wil hem niet beperken en hem vrij laten ontdekken, maar ik moet wel rekening houden met wat ik lichamelijk wel en niet kan om hem ook te beschermen als dat nodig is. Ik zeg dan: “Als mama stop zegt, moet je stoppen en ik probeer hem uit te leggen waarom ik graag met hem die afspraak maak. Ik hoop hem hiermee ook sensitiever te maken voor dat verschillende mensen soms ook verschillende gebruiksaanwijzingen en behoeften hebben.”
Een tweede kind?
Voor de geboorte van haar kind dachten zij en haar partner ook aan een tweede. Twee kinderen leek lange tijd de norm. Het idee was dat zij na de geboorte van hun eerste kind ook snel zwanger zou raken om te zorgen voor zo min mogelijk leeftijdsverschil. Inmiddels is die vraag ingewikkelder geworden. ‘Met één kind is het heel leuk, maar ook intens.’
‘Een tweede kind zal ongetwijfeld veel liefde en blijdschap brengen, maar ik vraag me af of het mij niet te veel uit balans brengt.'
Wat het intens maakt is dat ze ervaart dat het tempo van de gewone wereld voor haar soms topsport is. ‘Een tweede kind zal ongetwijfeld veel liefde en blijdschap brengen, maar ik vraag me af of het mij niet te veel uit balans brengt. Het zou betekenen dat we andere keuzes moeten maken in werk en in ons sociale leven. En ik vind mijn betekenisvolle werk, vrienden en familie ook erg belangrijk. Het is iets waar ik juist ook na mijn ziekte veel voldoening en zingeving uit haal.’
Ik leef nu
Waar doe je goed aan? Dat vraagt Cherine zich af. ‘Ik kan me voorstellen dat het leuk is om een broer of zus te hebben en dat je dan een team bent samen. Maar ben je als enig kind ongelukkiger? Hoe je daarover denkt of wat je daar bij voelt ligt ook aan je eigen referentiekader. Ik had vanwege mijn adoptie vroeger alleen surrogaatbroertjes en -zusjes. Ik denk dat het belangrijker is dat je ouders gelukkig zijn. Als je ouders uit balans zijn, dan voelen kinderen dit ook.
Daarnaast kijkt ze anders naar tijd. ‘Mensen zeggen weleens: het zijn tropenjaren, het gaat weer voorbij. Maar ik denk: ik leef nu. Ik weet niet hoe lang ik nog leef. Daar ben ik me na mijn ziekte en met mogelijk nieuwe late gevolgen heel bewust van. Dan wil ik graag kiezen voor iets wat ook in het nu goed voelt. Al blijft het altijd koffiedik kijken, omdat je niet altijd precies weet waar je wel of niet voor kiest.
Haar partner heeft zich inmiddels bij het idee neergelegd dat er geen tweede kind komt. Zelf houdt Cherine de deur nog op een kier. ‘Ik weet niet of ik het wil. Misschien dat ik het fysiek wel aankan. Misschien kan mijn gevoel nog veranderen. Misschien is de keuze eigenlijk al gemaakt. Maar ik kan de deur nog niet helemaal dichtdoen.’
Wanneer ben je een goede moeder?
Een andere vraag die haar bezig houdt is: Wanneer ben je eigenlijk een goede moeder? ‘Soms heb ik het gevoel dat ik tekortschiet. Dat ik niet voldoe aan het plaatje van wat een moeder zou moeten kunnen. Ik heb soms het gevoel dat mijn toegevoegde waarde naar onze zoon minder is dan die van mijn partner.
‘Dat gevoel ken ik eigenlijk al mijn hele leven. Dat doet wel pijn.’
Daar komt bij dat ze dingen moet missen die ze niet samen met haar kind kan doen. Samen fietsen bijvoorbeeld of straks andere avontuurlijke activiteiten als hij wat ouder wordt. Daardoor heeft ze soms het gevoel dat ze aan de zijlijn staat. ‘Dat gevoel ken ik eigenlijk al mijn hele leven. Dat doet wel pijn.’
Diversamente abili
Cherine merkt tegelijkertijd ook dat ze zichzelf soms buitensluit, voordat iemand anders dat doet. ‘Als ik iets niet kan, denk ik soms: dan kan ik er maar beter niet aan beginnen want dan is het eigenlijk niet goed genoeg of belemmer ik anderen.’ Die overtuiging had ze ook buiten het moederschap, met tennis bijvoorbeeld. ‘Ik heb lang het gevoel gehad dat ik me moest verontschuldigen voor mijn been of dat ik niet genoeg waarde toevoeg. Dat als ik iets niet meer kon, zoals vóór mijn ziekte, het niet voor me was weggelegd. Maar anderen in mijn team vonden mijn beperking veel minder groot dan ikzelf.
Ze zeiden: ‘we lossen het wel op. Jij mag daar gewoon staan. En je kan andere dingen heel goed die wij weer niet kunnen. Zo werd de som der delen meer dan het geheel, we werden een team. Ik merkte hoe belangrijk het is dat ik blijf meedoen. Ook omdat het mijn eigen perspectief veranderde, door te zien en ervaren dat tennis op verschillende manieren gespeeld kan worden en toch tennis blijft. Zoals mijn dubbelpartner, die speelt met een niet-volgroeide arm glimlachend relativeert: “één rechterhand is nog altijd beter dan twee linkerhanden.” Daarnaast vertelt zij ook graag over een mooie term uit het Italiaans ‘diversamente abili’ wat betekent ‘het op een andere manier bewegen’ om op een andere manier naar beperkingen te kijken.
Andere dingen te bieden
Juist daarin ligt voor Cherine een belangrijke les. Ze hoeft niet hetzelfde te kunnen als andere ouders. ‘Ik kan niet met hem rennen, maar ik kan wel andere dingen met hem meemaken. Of ik kan samen met hem kijken naar wat wél kan. Zo waren we laatst gaan hiken op vakantie. Voor hem bleek het veel belangrijker dat ik meedoe en bij hem ben, dan de manier waarop ik dat doe. Het mooie was dat we er samen een spel van maakten. We bedachten creatieve manieren voor hoe mama wel mee kon doen. Hij moedigde me aan en we hebben echt genoten van het samen beleven. Hij laat mij zien dat ik erbij hoor en dat het voor onze verbinding belangrijk is dat ik daar op vertrouw, dat ik blijf meedoen.
'Ik hoef niet alles te kunnen om een 'goede' moeder te zijn.’
Op deze manier leer ik hem hopelijk ook iets, dat er altijd een oplossing is en dat het oké is als je iets doet op een andere manier en dat dit goed genoeg is. Ook heb ik geleerd dat ik andere dingen als moeder te bieden heb, juist door de ervaring van kinderkanker en omgaan met late gevolgen. Ik kan rustiger zijn en dingen relativeren en hem helpen ontdekken wat voor hem het belangrijkste is in het leven. Dat is misschien ook genoeg. Ik hoef niet alles te kunnen om een 'goede' moeder te zijn.’
Opnieuw leren kijken
Dat past ook bij wat Cherine als moeder aan haar kind wil leren: dat er niet maar één manier is waarop dingen horen te gaan. ‘Ik wil hem laten zien dat de wereld groter is dan wat hij zelf kent. Dat iets wat bij ons normaal is, ergens anders heel anders kan zijn. Dat een andere manier van leven niet raar is.’
Andersom leert haar kind haar opnieuw naar zichzelf te kijken en er taal aan geven.’ ‘Hij kijkt op een gewone manier naar mij. Als hij het litteken op mijn been ziet, zegt hij: “Mama, jij hebt een mooie streep op je been!” Of als hij mij ziet fietsen heeft hij er bewondering voor dat ik dit met één been doe. Voor hem is dat allemaal onderdeel van wie ik ben en hij heeft daar geen oordeel over.’ Dat kan soms pijnlijk zijn, omdat het niet altijd expliciet erkenning geeft voor wat het van me vraagt om mee te blijven doen. Maar het is ook heel bevrijdend om voor hem gewoon als ieder ander te zijn.
‘Hij geeft me eigenlijk een tweede kans om mezelf niet steeds te vergelijken met wat anderen kunnen. Maar om te zien wat ik wél kan.’ Het positieve is dat hij met zijn ogen op een nieuwe manier leert kijken naar mezelf, om dingen anders te beleven en te ervaren. En ook om het te normaliseren. ‘Misschien gaat goed moederschap niet over alles kunnen. Misschien gaat het er vooral over dat je er bent. Op jouw eigen manier. Dat je voelt en weet, ik hoor erbij, ik doe ertoe.’
Tekst en interview: Marjolein Broeren
Wil jij over bovenstaand thema van gedachten wisselen? Neem dan contact op met VOX, survivornetwerk van Vereniging Kinderkanker Nederland, via vox@kinderkankernederland.nl of bel naar 030 - 242 29 44.
